Toeval

Berend Boudewijn had een leuke hoed. De rand van die hoed was zo breed dat zijn witte muizen er met z'n drieën naast elkaar op konden lopen. Ze deden het nooit, maar het kón.
Wanneer Berend door het dorp liep keken de mensen altijd naar zijn hoed. En lachten. Een hoed met drie witte muizen, dat was iets bijzonders.
Berend was een showmannetje. Hij genoot ervan wanneer de mensen naar zijn hoed keken en lachten. Hij zorgde dus heel goed voor zijn muizen. Dat ze niet zouden weglopen.
Toch begon het een van de muizen, Joris, te vervelen om steeds op die hoed te moeten rondlopen. Dat bood weinig afwisseling. Joris ging er vandoor, toen Berend lag te slapen. De andere muizen, Lien en Henk, sliepen ook. Misschien deden ze alsof.
Berend ging Joris zoeken, maar vond hem niet. Joris was namelijk naar een waterlelie gezwommen. Die bloeide midden in de vijver. In het park. Daar is Joris gaan wonen, vooral eigenlijk omdat hij waterlelies zo mooi vond. En Joris begreep ook wel dat Berend hem daar niet zou zoeken.
De libel Kitty kwam vaak bij Joris op bezoek. Kitty vloog altijd rond boven de vijver en liet dan zien hoe prachtig ze was. Ze was net een helikopter, maar dan een heel mooie, een heel stille, zonder motorgeronk.
Berend Boudewijn dacht dat een hoed met twee muizen niet leuk was. Hij heeft zijn hoed in de vijver gegooid. Lien en Henk zwommen uit alle macht, om niet te verdrinken. Ze klommen op een waterlelie. Jammer, niet op die van Joris.
Het zou wel leuk zijn geweest als ze per toeval op dezelfde waterlelie waren gekomen als die van Joris. Ja, dat zou leuk toeval zijn geweest. Jammer, jammer. Zoiets gebeurt alleen in verhaaltjes.
Maar dit ìs een verhaaltje. In een verhaaltje gebeurt het wèl. Henk en Lien wisten dat, en dus zwommen ze nog een waterlelie verder. En waarempel, daar zat Joris. Wat een toeval. Ze dansten van plezier.
