Tsjechow: de woonplek

Tsjechow beschrijft hoe de dwangarbeider op Sachalin gehuisvest was. In een hutje. En als Tsjechow de treurnis van zo'n woonplek weergeeft, besef je als lezer wat het fundamentele karakter van zo'n plek in Tsjechows ogen zou moeten zijn.
'Het hutje heeft één vertrek. Er staat een Russische kachel. Houten vloer. Een tafel. Twee of drie krukjes, een bank. Een slaapplaats, op de grond, in het midden van de kamer. Daar ligt dan een dekbed; je kunt zien dat daar iemand op gelegen heeft. In de vensterbank: etensresten op een bord. Het geheel ziet er niet als een hutje uit, ook niet als een kamer, maar veeleer als de cel van een eenzame monnik.
Er hoeft maar een vrouw bij te komen en kinderen om er iets als een huiskamer van te maken. Maar dan ontbreekt toch altijd iets belangrijks: een grootvader, een grootmoeder. En oude ikonen en meubels die de ouders gebruikt hebben.
Ja, wat aan zo'n woonplek ontbreekt, dat is traditie. Er is geen ere-plek. Of als die er al is, dan is hij armelijk, onaanzienlijk, zonder lampje, zonder versiering. Je ziet dat hier geen vaste gebruiken zijn. Het lijkt allemaal toevallig bij elkaar gebracht. Die mensen wonen niet op een eigen plek, maar in iets dat ze tijdelijk in bruikleen hebben. Geen katten, geen krekel om te zingen tijdens de winteravonden. Ze zijn hier niet thuis.'
De essentie van de straf: ontworteling.
