Tsjechow op Sachalin

Op het eiland Sachalin, nog voorbij Siberië, richtte het Rusland van tsaar Alexander de Tweede in 1875 een strafkolonie in voor dwangarbeiders en bannelingen. Tsjechow ging er heen in 1890.
Hij bezocht het eiland in zijn kwaliteit als medicus - dat was hij immers ook. Drie maanden bleef hij er en hij schreef een rapport over dat bezoek. Een degelijk rapport, met feiten en cijfers. Verbluffende tekst, door de uitgebreide degelijkheid, de heldere precisie. Een proefschrift. Zo was het ook bedoeld.
Ik ben een onvoorwaardelijke fan van Tsjechow. Van zijn toneelstukken - ik heb er een flink aantal nog gezien in regie van Sjarow. Een voorrecht. Van zijn proza. Over 'De dame met het hondje' heb al eens iets opgeschreven. En ik heb bijvoorbeeld ook mijn persoonlijke omgang met het korte verhaal 'In de heilige Paasnacht' - ik lees het elk jaar, tijdens die betreffende nacht.
Het rapport over Sachalin, non-fictie, had ik nooit gelezen. Ik was ook niet van plan het te doen. Je kunt en hoeft niet alles te lezen. Maar ik zag het in Franse vertaling liggen in de etlage van boekwinkel Aspara in de Rue Daguerre in Parijs. Vandaar dat ik het er nu toch over ga hebben.
Op het zuidelijk deel van Sachalin woonde, voordat de Russen het inlijfden, een volk dat zichzelf met het woord "ajno" aanduidt. Dat bleek toen aan die mensen gevraagd werd hoe ze zichzelf aanduidden. 'Ze noemden zichzelf eenvoudigweg 'ajno', schrijft Tsjechow. Het betekent 'mens'.
Tsjechow geeft een kostelijke beschrijving van het uiterlijk van de ajno's.
'De mannen zijn mooi. Ze hebben indrukwekkende baarden. De vrouwen zijn foeilelijk. Ze zijn broodmager; als ze getrouwd zijn verven ze hun lippen nog blauw ook, dan hebben ze helemaal niets menselijks meer. De ajno's wassen zich nooit en slapen zonder hun kleren uit te trekken. Wanneer je als rondwandelende Rus een ajno tegenkomt, dan maakt hij een buiging voor je en kijkt je aan met een blik vol droeve vriendelijkheid, alsof hij zeggen wil dat hij iemand is die pech heeft gehad in zijn leven, iemand die zich verontschuldigt dat het hem, ondanks die mooie baard, nog steeds niet gelukt is om iets van zijn leven te maken.'
En Tsjechow noteert:
'Bijna allen die over de ajno's hebben geschreven hebben hun zeden als voorbeeldig weergegeven. Alle auteurs zijn het er over eens dat ze een zachtmoedig volk zijn. Bescheiden. Welwillend. Goed van vertrouwen. Gemakkelijk in de omgang. Beleefd. Niet tot diefstal geneigd. Dapper tijdens de jacht. Dokter Rollen, de reisgezel van de Franse ontdekkingeiziger La Pérouse, prees ze zelfs vanwege hun beschaafde omgangsvormen.
Men heeft het over hun onbaatzuchtigheid, eerlijkheid, geloof in vriendschap, vrijgeveigheid. Ze zijn openhartig, verdragen geen oneerlijkheid. Een antropoloog besluit met deze woorden: 'Hun zeldzame eigenschappen komen louter voort uit hun natuur en niet uit morele lessen van een of andere geestelijke leider; dat geeft mij het gevoel dat ik dit volk moet beschouwen als superieur boven alle andere volkeren waarmee ik tot nu toe in aanraking ben geweest.' Een andere onderzoeker noteert: 'Elke vorm van geweld bezorgt deze mensen schrik en walging.'
En dan verwijst Tsjechow, die zich goed heeft voorbereid, naar een scène die in de archieven beschreven staat. Het tafereel moet zich een eeuw tevoren hebben afgespeeld. Ik citeer opnieuw Tsjechow.
'Een kozak, Tsjorny geheten, was commandant van een militair escadron dat tot taak had om de ajno's te russificeren. Hij haalde het in zijn hoofd om enkelen hunner eens te geselen. Toen de mensen de voorbereidingen voor de tuchtiging zagen sloeg de schrik ze om het hart. Bij twee vrouwen werden de handen op de rug gebonden, om er gemakkelijker op los te kunnen slaan. Toen ze dat zagen klommen andere ajno's naar een moeilijk bereikbare rotspunt. Een ajno-man ging in een kano de zee op, met twintig vrouwen en kinderen.
De vrouwen die niet hadden weten te vluchten werden gegeseld. Zes mannen werden door de kozakken meegenomen op zee, in kano's. Ook hún handen waren op hun rug gebonden. Bij een hunner was dat zo hardhandig gebeurd dat hij er dood aan ging. De man werd in zee geworpen met een steen aan zijn nek.
Tsjorny gaf bij dit alles een belerend commentaar: Kijk, zo doen we dat bij ons Russen.'
