Skip to Content

Vaandricht

Vaandricht

Toen mijn uniformkraag eenmaal gesierd was met een stip, kon ik Harderwijk verlaten met wat elementaire kennis van de Russische taal. Ik werd gedetacheerd naar de staf van de Derde Divisie. In Vught.

Een vaandrig is een aspirant-officier. Hij hoeft niet meer in een kazerne te slapen. Hij wordt ingekwartierd. Zo stond ik, 21 jaar oud, op een dag in Vught voor de deur bij de familie Verhagen, bestaande uit twee mensen, zo gastvrij en vriendelijk als Brabanders het bij hun geboorte al zijn.

Mevrouw heeft me bij eerste aanblik veel te mager bevonden, zodat ik elke morgen een flink bord havermoutpap kreeg bij het ontbijt. Het waren schatten - we hebben eindeloos gebabbeld en gelachen, vaak bij het kaartspel tot diep in de nacht. Ik heb veel over de Brabantse cultuur geleerd. Wanneer meneer een afspraak had in Den Bosch, om één uur bijvoorbeeld, dan gingen we om half twee de deur uit. Voor de steile Noordhollander die ik was, was dat in het begin even wennen. Aan die oefening om met elastiek-tijd om te gaan heb ik later nog veel gehad, toen ik in Indonesië verbleef.

Ik was geplaatst bij de inlichtingenafdeling van de staf. Ik kwam immers van een opleiding aan de School Militaire Inlichtingen Dienst. Mijn werkplek was een kantoor waar vier bureaus stonden. Drie daarvan waren in principe voor mijn superieuren. Die waren allemaal met ziekteverlof. Elke dag kon ik kiezen achter welk bureau ik wilde plaats nemen. Wegens afwezigheid van die superieuren was ik, ad interim uiteraard, de hoogst-aanwezige G-twee-officier.

In het kantoor was één wand bekleed met een enorme kaart van Oost-Duitsland. Daarop waren de posities van Russische troepen aangegeven. Een gordijn verborg dat voor onbevoegde ogen. Er was een zolder boven het vertrek, daar waren stafkaarten opgeslagen. Mijn bezigheid was vooral om in dat archief enige orde aan te brengen en om bestellingen te laten uitvoeren. Daarvoor waren soldaten van de zogenaamde stafcompagnie beschikbaar. Ik kreeg gemakkelijker een soldaat ter beschikking dan een potlood.

Ik maakte van die mogelijkheid een zeer ruim gebruik. De zolder werd na mijn komst een gezellige plek vol geüniformeerde jongelingen, die daar gezellig vertoefden. Heel frekwent werd ik beleefd aangesproken door een daar al werkzame soldaat.

'Vaandricht', hoorde ik dan. 'Ik heb een maat die graag ook ...' 'Laat maar komen.'

Wie in staatsdienst is en met enige macht bekleed, kan zich zonder bezwaar van eigen schatkist genereus betonen. Ik lees de waarheid van dit adagium af aan, bijvoorbeeld, de zonnige rondgang door de wereld van iemand als onze Minister van Ontwikkelingssamenwerking.