Skip to Content

Verlaine schoot op Rimbaud

Verlaine schoot op Rimbaud

Verlaine en Rimbaud waren burgermanskinderen die niet wilden deugen. Ze wisten al jong dat ze dichter waren. De mooiste gedichten van Verlaine staan in zijn eerste bundel, Poèmes Saturniens, verschenen in 1866, toen hij net in de twintig was. In die bundel staat bijvoorbeeld 'Mon rêve familier', dat ikzelf het mooiste gedicht vind ooit geschreven.

Rimbaud was nog vroegrijper. Hij was dichter op zijn vijftiende. In mei 1871 verlaat hij als zestienjarige voor de zoveelste keer het ouderlijk huis in Charleville, in de Ardennen. Hij trekt naar Parijs, bezoekt zijn oudere collega Verlaine, die dan 27 is en in literaire kringen al bekendheid geniet. Vlak voor de komst van Rimbaud is Verlaine getrouwd met Mathilde, 18. Hij heeft bij haar een zoontje. Rimbaud laat zich erg schamper uit over Verlaine’s burgermansinterieur.

Verlaine is een zuiplap. Hij drinkt vooral absint en jenever. In die dagen was absint populair. Je dronk het met met suiker. Je wordt er zeer snel dronken van. Het wordt tegenwoordig niet meer gemaakt. Er is nog wel een absint­museum, in Auvers sur Oise, op steenworpafstand van de begraafplaats waar Vincent en Theo van Gogh liggen. Wanneer Verlaine dronken is terroriseert hij zijn vrouw en ook zijn moeder. Hij bedreigt ze dan met de dood en slaat ze. Maar zijn poëzie is prachtig.

Verlaine en Rimbaud hebben meer gemeen dan passie voor dichtkunst. Hun vaders waren allebei kapitein in het leger. Beide vaders lieten zich niets aan hun zonen gelegen liggen. Beide vaders sterven lang voordat hun vrouwen dat doen. Verlaine en Rimbaud zijn allebei noorderlingen. Verlaine is geboren in Metz. Ze hebben vooral gemeen dat ze zich van gangbare morele regels niets aantrekken. Het zijn asociale types. Rimbaud weigert in zijn dichterjaren principieel om andere arbeid dan gedichtenmaken te verrichten. Verlaine geeft nog wel eens les, maar hij leeft toch hoofdzakelijk van geld dat hij zijn moeder ontfutselt.

De dichters beginnen een gepassioneerde liefdesrelatie. In juli 1872 gaan ze samen naar België. In september nemen ze de boot naar Londen. Met Kerstmis gaat Rimbaud terug naar huis, maar keert later opnieuw naar Londen terug.

In 1873 wordt Verlaine door zijn moeder uit Londen teruggehaald. Hij gaat naar zijn tante Julie, in Jéhonville. Tante verzorgt haar neef goed. Hij maakt bij haar thuis een dichtbundel af: Romances sans paroles.

Rimbaud is in die tijd ook terug in Frankrijk, in Roche, niet ver van Vouziers. Hij is begonnen aan Une saison en enfer. Rimbaud en Verlaine treffen elkaar in Bouillon en vertrekken naar Londen. Verlaine geeft daar Franse les. Hij verdient daarmee 100 of 150 francs per maand.

Op 3 juli 1873, vijf weken na hun aankomst in Londen, ontstaat een hevige ruzie. Rimbaud maakt Verlaine belachelijk als die thuiskomt met een vis en een fles olie. Verlaine gooit de aanschaf naar het hoofd van Rimbaud, rent de trap af, naar buiten, naar de Theems. Daar ligt aan een kade de boot naar België. De volgende dag is Verlaine in Brussel. Hij neemt zijn intrek in het hotel waar ze altijd heengaan, l’Hôtel Liégeois, in de rue du Progrès.

Verlaine schrijft een brief aan zijn vrouw, zeggende dat hij zich voor zijn kop zal schieten als ze niet binnen drie dagen naar hem toe komt. Mathilde had toen al de gewoonte aangenomen om Verlaine’s brieven niet te openen. Deze brief heeft ze pas vijf jaar later open gemaakt. Verlaine schrijft ook aan zijn moeder en aan de moeder van Rimbaud. En Rimbaud schrijft vanuit Londen aan Verlaine:
Londen, vrijdagmiddag.
Kom terug, kom terug, dierbare vriend, enige vriend, kom terug. Ik zweer je, ik zal lief zijn...
Je geeft toch antwoord hè aan je vriend.
Wij, niet meer samen leven? Luister naar wat je hart je ingeeft.
Ik ben de jouwe, voor het leven.
Rimbaud.

Als ik je niet meer terugzie, ga ik bij de marine of in het leger. Ach, kom terug. Ik huil de hele dag door.

Maar ja, Rimbaud kan die brief pas versturen als hij geld heeft voor de postzegel. Hoe moet hij daar aan komen? Hij weet wat. Hij verkoopt de spullen die Verlaine heeft achtergelaten. Als hij dat heeft gedaan en met wat geld thuiskomt, ligt daar een brief die Verlaine hem heeft geschreven. Zogenaamd ‘op zee’, want Verlaine doet net of hij dienst heeft genomen in het Spaanse leger, dat vrijwilligers zoekt om een carlisten­opstand neer te slaan. Hij gaat de dood zoeken...

Dus schrijft Rimbaud nog een brief, die hij tegelijk met de vorige verstuurt. Geld voor postzegels is er immers.
Dierbare vriend,
Ik heb nu je brief ‘op zee’ geschreven. Je maakt een fout, een ernstige fout. Niets positiefs in je brief te vinden, je vrouw komt niet of komt pas over drie maanden, weet ik veel. Jij, de pijp uitgaan? Kom, ik ken je toch...
...Ik ga niet naar m’n moeder terug. Ik ga naar Parijs, ik probeer maandagavond te vertrekken. Je hebt me wel gedwongen om al je kleren te verkopen, ik kon niet anders.
Ja, als je vrouw terugkomt, zal ik je niet compromitteren, dan schrijf ik je nooit...
Tot maandagavond kun je me opbellen, of dinsdagmiddag.

Maar op die dinsdag krijgt Rimbaud een telegram van zijn geliefde:
Vrijwilliger voor Spanje. Kom naar Hôtel Liégeois. Wasmeisje. Zo mogelijk manuscripten.

Bedrog! Hij was helemaal geen oorlogsvrijwilliger. Toen hij dat telegram opstelde had Verlaine van de Spaanse ambassade al te horen gekregen dat hij als vreemdeling niet in aanmerking kwam voor het Spaanse leger.

Nog diezelfde dinsdagavond is Rimbaud in Brussel. De twee vrienden verplaatsen zich naar het Hôtel de Courtrai, 1 rue des Brasseurs. Waarom? Om te voorkomen dat Mathilde echt zou komen, naar het bekende adres. Moeder Verlaine is ook naar Brussel gekomen en gaat mee naar het Hôtel de Courtrai. Ze nemen twee kamers. Een voor moeder. Een voor de jongens ­ maar geen aardige jongens.

De volgende dag brengen de beide dichters­minnaars door in Brusselse café’s. Ze drinken en maken ruzie. Aanleding: nu geeft Rimbaud weer te kennen dat hij naar Parijs wil. Alleen.

Op donderdagochtend 10 juli verlaat Verlaine in zijn eentje het hotel en koopt om negen uur in de Passage St.Hubert een revolver en een doos met vijftig kogels. Prijs, alles bijeen: drieëntwintig Franse francs. Na zijn aankoop keert Verlaine terug naar het hotel. Onderweg lest hij, op zijn nuchtere maag, zijn dorst met absint en jenever. Het is een gloeiendhete dag. Wanneer hij op de kamer komt, laat hij aan Rimbaud zien wat hij heeft gekocht. Hij heeft toen onder andere uitgeroepen:
Dat is voor jou, voor mij, voor iedereen.

Ze gaan samen de deur uit. Ze gebruiken een aperitief en een lunch in het Huis van de Bierbrouwers, la Maison des Brasseurs. Daar maken ze alsmaar ruzie, aan één stuk door. Om twee uur zijn ze terug in het hotel. Ze gaan naar de kamer van moeder Verlaine. Rimbaud vraagt haar geld voor zijn reis naar Parijs. Verlaine verlaat de kamer en het hotel om nog wat te drinken in een belendend café. Zodra hij terug is begint de ruzie met Rimbaud opnieuw, nu in de kamer van de vrienden. Na een tijdje gaat Verlaine dan weer naar buiten. Dat komen en gaan herhaalt zich zo’n drie à vier keer.

Verlaine komt steeds bezopener terug, Bij zijn laatste rentrée doet hij de kamerdeur achter zich op slot. Hij gaat schrijlings op een stoel zitten en laadt zijn revolver. Rimbaud staat drie meter van hem af.

Verlaine schreeuwt:
Hier. Je wilt weg? Ik zal je leren!
Hij schiet. Twee keer.

De eerste kogel treft Rimbaud in de bovenarm. Een tweede treft alleen de muur, 30 centimeter boven de vloer. Het is erg jammer dat het hotel is afgebroken. Literatuurminnaars kunnen niet mediteren bij het kogelgat in de muur, zoals kenners van de Nederlandse geschiedenis stilstaan bij het gat dat Balthasar Gerards kogel achterliet in de muur van het Prinsenhof te Delft. Het literairhistorische gat is verdwenen bij de sloop. Op de plaats van het Hôtel de Courtrai bevindt zich nu een winkel waar men Brusselse kant kan kopen. Er is wel een gedenkplaat aangebracht die aan het incident herinnert. De eigenaresse van de winkel met Brusselse klant heeft mij op zacht­treurige toon verteld dat die inscriptie geen enkel positief effect heeft op haar omzet.

Na de schoten gaat Verlaine naar de moederkamer en werpt zich huilend op bed. Moeder Verlaine verzorgt de gewonde Rimbaud. Met zijn drieën begeven ze zich op weg naar het Hôpital St.Jean.

In het ziekehuis vertelt de lichtgewonde Rimbaud aan de medische staf een vaag verhaal. Een ongelukje. Er wordt een verband aangelegd. Verlaine smeekt Rimbaud opnieuw hem niet te verlaten. Rimbaud reageert afwijzend. Moeder Verlaine geeft Rimbaud, ter bezwering waarschijnlijk, twintig francs. Om zeven uur verlaten ze het ziekenhuis en gaan gedrieën op weg naar het station. Verlaine loopt voorop. Revolver op zak.

In de rue du Midi, vlakbij de place Rouppe, keert Verlaine zich om. Hij zegt iets onduidelijks tegen Rimbaud. Rimbaud ziet dat Verlaine met zijn hand grabbelt naar de plek waar de revolver kan worden vermoed. Hij zet het op een lopen. Verlaine achter hem aan.

De principële asociaal Rimbaud vergeet dan even zijn principes en roept een politieagent aan. Die arresteert Verlaine en neemt ook Rimbaud en mevrouw Verlaine mee naar het bureau. Daar wordt Verlaine in een cel gestopt, samen met een andere dronkenlap. Aanklacht:
Verwondingen, aangebracht door middel van een vuurwapen bij de heer Rimbaud Arthur.
Zo staat het geschreven. Verlaine krijgt op dat bureau roggepap te eten en schrijft er met een stukje in inkt gedoopt hout het gedicht dat heet Crimen amoris. Later wordt Verlaine overgebracht naar de gevangenis, la Prison des Carmes.

Rimbaud kan niet vertrekken naar Parijs. Hij moet ter beschikking van justitie blijven. Hij keert met moeder terug naar het hotel. In het ziekenhuis gaat hij nog de kogel uit zijn arm laten verwijderen. Hij krijgt daar bezoek van de onderzoeksrechter. Deze vindt in Rimbauds portefeuille brieven van Verlaine waaruit blijkt dat de vrienden een homosexuele relatie hebben. Hoewel èn Rimbaud èn Verlaine ontkennen dat ze een ‘immorele’ relatie hebben, wordt Verlaine toch in zijn gevangenis onderworpen aan een medisch onderzoek. Teneinde te kunnen constateren of hij sporen draagt van homosexuele gewoontes. (Aux fins de constater s’il porte des traces d’habitudes pédérastiques).

Rimbaud gaat nog naar het Palais de Justice om zijn aanklacht in te trekken. Te laat. Justitie zet door. Hij gaat terug naar huis. Eerst naar Charleville. Maar zijn moeder is in Roche, en dus gaat hij daarheen. Hij maakt daar Une saison en enfer af.

Verlaine moet op 8 augustus voorkomen. De Belgische justitie werkte toen wat sneller dan ruim een eeuw later, in de dagen van Dutroux. Verlaine krijgt de maximumstraf: twee jaar, en tweehonderd francs boete. Hij moet zijn straf uitzitten in de gevangenis van Mons (Bergen, voor Vlamingen). In het gevangenisregister staat achter zijn naam te lezen:
Beroepsopleiding: geen
Tot welk werk in staat? Idem.
In mei 1874 komt de gevangenisdirecteur aan Verlaine vertellen dat op 24 april een rechtbank in Parijs de scheiding heeft uitgesproken tussen Verlaine en Mathilde. Hij is uit de ouderlijke macht ontzet. Hij moet voor het kind wel alimentatie betalen, 100 francs per maand. (Vincent van Gogh leefde van minder en moest ook nog verf en doeken kopen.)

Op 16 januari 1875 komt Verlaine vrij. Zijn straf is met 175 dagen ingekort; dat was reglementair, bij goed gedrag. In de gevangenis heeft hij zich bekeerd tot de godsdienst waarin hij was opgevoed, het katholicisme. Hij heeft er ook de in Sagesse gebundelde gedichten geschreven. (Onder andere de regel:
Mon Dieu m’a dit Mon fils il faut m’aimer.

Prachtig, prachtig. En onvergetelijk.) Hij doet een poging om monnik te worden, trappist, in Chimay, maar geeft dat op na een week op proef in het klooster te zijn geweest.

Verlaine wil Rimbaud terugvinden. Die verblijft in Stuttgart. Zijn moeder had Rimbaud aangeraden om Duits te leren en heeft hem daarvoor geld gegeven. Verlaine dus naar Stuttgart, begin maart. Het verhaal gaat dat de ontmoeting onmiddellijk weer tot ruzie leidde en tijdens een avondwandeling langs de Neckar op een vechtpartij uitliep. Verlaine zou de volgende ochtend buiten kennis, gewond, door boeren zijn gevonden. Of het waar is? Zeker is dat het gehele bezoek niet langer dan twee en een halve dag duurde. Daarna zullen de vrienden elkaar nooit meer zien.

Verlaine zal nog één keer in zijn leven in de gevangenis komen. Op 24 maart 1885 moet hij voor de rechter verschijnen in Vouziers. Hij heeft in Coulommes zijn moeder bij de buren met een mes bedreigd en uitgeroepen: Als je niet bij me terugkomt, vermoord ik je. Voor de rechtbank zijn er getuigen die verklaringen afleggen over zijn ‘immoreel’ gedrag. Verzachtende omstandigheid: Verlaine toont berouw. Bovendien ontkent moeder alles dat haar zoon in een kwaad daglicht kan stellen. Oordeel: een maand opsluiting in de gevangenis en een boete van vijfhonderd francs.

Uit Verlaine’s biografie valt op te maken dat hij asociaal was, gewelddadig, sensueel, bisexueel. Een mooi karakter had hij niet. Hij was een groot dichter. Vooral in zijn eerste bundel vinden we regels en gehele gedichten die dat laten zien. Een paar voorbeelden:
De eerste regel van het gedicht Il Bacio (De Kus): schoonheid en sensualiteit.
Kus! Stokroos in de tuin der liefkozingen!

Schoonheid en zuiverheid in een strofe van La chanson des ingénues.
Armen om elkaars middel.
Het daglicht is niet zuiverder
Dan onze diepste gedachten.
Onze dromen: hemelsblauw.

Er is schoonheid en sado­masochisme in het sonnet over een mooie vrouw.
Voorname dame
Zo mooi, dat ze heiligen verleidt, een oude rechter
Onder zijn toga verontrust! ­ ze schrijdt, een keizerin.
Haar tanden blikkeren als ze haar Italiaans spreekt
Met een licht Russisch accent.

Emaille in het Pruisisch blauw van haar koele ogen;
Ze schitteren, onbeschaamd en hard als diamant.
De pracht van haar borsten? Haar stralende huid?

Geen koningin, geen courtisane,
Noch de lynx Cleopatra, noch Ninon de kat,
Kan tegen die patriciërsschoonheid op, nee!
Kijk goed, o goede Buridan: ’t Is een voorname dame!

Geen geschipper. Aanbid haar op je knieën.
Lig plat. Erken als ster alleen de vracht van haar rode haar.
Of anders: sla haar in ’t gezicht, met een karwats.

Verlaine heeft het gezien. En beleefd. En verwoord.

© Aart van Zoest, september 2001
Noten

In de oorspronkelijke taal luiden de vertaalde zinnen als volgt:

1. Londres, vendredi après­midi.
Reviens, reviens, cher ami, seul ami, reviens. Je te jure que je serai bon...
Dis, réponds à ton ami. Est­ce que nous ne devons plus vivre ensemble? N’écoute que ton bon coeur.
A toi toute la vie.
Rimbaud.
Si je ne dois plus te revoir, je m’engagerai dans la marine ou l’armée. O, reviens, à toutes les heures je pleure.
2. Cher ami,
J’ai ta lettre datée ‘en mer’. Tu as tort, cette fois, et très tort. D’abord, rien de positif dans ta lettre, ta femme ne viendra pas ou viendra dans trois mois, que sais­je? Quant à claquer, je te connais...
... Je ne rentrerai pas chez ma mère. Je viens à Paris, je tâcherai d’être parti lundi soir. Tu m’auras forcé à vendre tous tes habits, je ne puis faire autrement.
Certes, si ta femme revient, je ne te compromettrai pas en écrivant. Je n’écrirai jamais...
8 Great Coll, etc. jusqu’à lundi soir, ou mardi à midi si tu m’appelles.
3. Volontaire Espagne. Viens ici, Hôtel Liégeois, blanchisseuse, manuscrits si possible.
4. Tiens. Je t’apprendrai à vouloir partir!
5. Métier appris: néant.
Aptitude au travail: Idem.
6. Si tu ne reviens pas chez moi, je te tue.
7. Baiser! Rose trémière au jardin des caresses!
8. Nous allons entrelacées,
Et le jour n’est pas plus pur
Que le fond de nos pensées,
Et nos rêves sont d’azur.
9. Une grande dame

Belle ‘à damner les saints’, à troubler sous l’aumusse
un vieux juge! ­ Elle marche impérialement.
Elle parle ­ et ses dents font un miroitement ­
Italien, avec un léger accent russe.

Ses yeux froids où l’émail sertit le bleu de Prusse
Ont l’éclat insolent et dur du diamant,
Pour la splendeur du sein, pour le rayonnement
De la peau, nulle reine ou courtisane, fût­ce

Cléopâtre la lynxe ou la chatte Ninon,
N’égale sa beauté patricienne, non!
Vois, ô bon Buridan: ‘C’est une grande dame!’

Il faut ­ pas de milieu! ­ l’adorer à genoux,
Plat, n’ayant d’astre aux cieux que ses lourds cheveux roux
Ou bien lui cravacher la face, à cette femme!

Op de afbeelding: Verlaine, te gast in het huis van Willem Witsen, aan het Oosterpark in Amsterdam.