Skip to Content

In het verpleeghuis

In het verpleeghuis

We gaan zitten aan een ronde tafel in de recreatiezaal, mijn moeder en ik. Ik haal voor ons beiden een coupe-Slotervaart. Dat is, in een glas, een bol vanille-ijs, daarover een forse scheut advocaat, en bovenop een dot slagroom van heb ik jou daar. Dat wil er wel in, in dat lieve mondje zonder tanden.

Op een lepeltje houd ik haar dat lekkere, hapsgewijs, voor. Ze neemt het in en bij elke hap vraag ik:
'Is het lekker?'

Steevast zegt ze: 'Héérlijk.'

Ze meent het. Maar ze zegt het ook om me een plezier te doen. dat weet ik zeker. Ze trekt een heel genieterig gezicht. Ik denk: het orgasme van de oude dag.

'Gelukkig maar', grap ik. 'Want anders stuur ik het terug, hoor.' Een standaard-joke van een vent die in zijn hele leven nog nooit iets heeft durven terugsturen, zelfs niet toen er een kakkerlak dreef in de koffie die hem geserveerd werd in Oost-Berlijn, Hotel Unter den Linden, ten tijde van de DDR.

Ze blijft me stralend aankijken. Ik zie haar denken: Aardige kerel. Dat ik haar zoon ben, is ze inmiddels ook al kwijt eraakt. Een paar maanden geleden vroeg ze nog: 'Hoe gaat het met de kinderen?'

'Heel goed,' zei ik dan.
'Zul je ze wat van oma geven?'
'Ja hoor.'
Daarna, zonder enige pauze: 'Hoe gaat het met de kinderen?'
Ik bevestigde: 'Goed hoor.'

Zo kreeg onze conversatie de oerschoonheid van een rondeel. De cyclus kon eenvoudig doorbroken worden door het inzetten van een lied. Enige tijd was dat vooral 'In 't groene dal, in 't stille dal, waar kleine bloempjes bloeien...' Dat werd moeilijk, te moeilijk. Het repertoire schrompelde. Lang stand hielden 'We gane met z'n allen naar de Zaan, waar de wieken van de molens lustig slaan' en 'Toen onze Mop een Mopje was en aardig om te zien'. Maar ook dat viel uit. Piet Hein hield het langste stand. 'Piet Hein, Piet Hein, Piet Hein zijn naam is klein, zijn daden benne groot...'

Naar de kinderen vroeg ze in de dagen dat ze nog wist dat ik haar zoon was. 'Mijn zoon' zei ze trots tegen de andere dames en wees op me alsof ik Obama was. Ik trok mijn bravejongensgezicht, iets dat me een levenlang goed is afgegaan. Later werd mijn uitdrukking iets lijper, toen ze wees en zei 'mijn broer' of 'mijn man'. Ook dit ging over.

Nu zegt ze niets tegen de dames en u tegen mij. Gelukkig drukt ze zich gelukkig tegen me aan, als een klein meisje, vol vertrouwen. Ze vraagt ook niet meer of ik vooral niet wil weggaan, bij de glazen deur, als ik op het punt sta om het toch te gaan doen.

Tegen een passerende dame zegt ze 'Dag lieverd'. De dames hebben de gewoonte aangenomen om elkaar suikerzoet te begroeten. Maar ze bijt ook wel eens in een hand, om te plagen. Ik heb het met eien ogen waargenomen. Gelukkig kennen de monden nauwelijks nog ivoren wachters.

Er komt een onbegeleide mevrouw voorbij. Bijna honderd, schat ik. Ze schreit bittere tranen.

Wat te doen? Ik weet het niet. Ik voel dat ik iets zou moeten doen. Ik kan niets verzinnen. Een constante in mijn leven: nimmer heb ik geweten hoe te handelen bij vrouwentranen. Ik ben bang dat het te laat voor me is om het nog te leren.