Skip to Content

Van verwensen naar dreigen

Van verwensen naar dreigen

Als geboren en getogen Amsterdammer moet ik erkennen dat mijn ervaringsdeskundigheid op het punt van verwensingen zich beperkt tot wat ik in mijn woongebied heb mogen horen. Het woord 'verwensingen' zegt het al: afkeer van een medemens vond zijn uitdrukking in het onvriendelijk uitspreken van de wens dat die ander zou worden getroffen door iets vreselijks.

Dat vreselijke was eenvoudig te vinden: een akelige ziekte. Cholera bijvoorbeeld, vereenvoudigd tot het woord 'klere'. In mijn jeugd, toen de straat nog toneel was voor menselijke communicatie, heb ik meegemaakt dat buren elkaar binnen hoorafstand 'Krijg de klere' toevoegden. Dat was het meest gangbare register.

Er was ook wel wat variatie mogelijk. Voorbeeld: krijg de kanker. Er werd soms ook gepreciseerd: krijg de kanker in je hart. Dat was voor de Grote Boosheid. Een collega van toen, een heer Bakker, die net als ik toen zijn brood verdiende bij de firma Swets & Zeitlinger aan de Keizersgracht, woonde in de hoerenbuurt, die nu ook wel keurig als Red Light District wordt benoemd. Hij kon van heftige straatdiscussies verhalen, tijdens de koffiepauze of als onze chef even uit de buurt was. Op een dag meldde hij een straatruzie te hebben aangehoord waarbij de een de ander de vreselijkste ziektes had toegewenst. Het mooist was het geniale antwoord geweest: 'Dat leen je me maar.'

Zo'n weerwoord vervult me met diepe bewondering. Ik kon ook wel enige bewondering opbrengen voor hen die met hoogst onaangenaam gedrag van superieuren waren geconfronteerd, zich machteloos voelden om iets terug te doen en dan de oer-Amsterdamse verzuchting slaakten 'Ik wou dat ie een aap scheet.'

Ik geloof dat deze taalvaardigheid wat in onbruik raakt. Langs de electronische snelweg schijnen nu doodsbedreigingen te moeten gelden als tekenen van ongenoegen. Zou hier het woord van mijn goede vader moeten gelden? 'Dat is de vooruitgang, jongen, dat hou je niet tegen.'