Skip to Content

Waterhoentjes

Waterhoentjes

Aan de Lijnbaansgracht. Op luttele afstand van m'n woonplek. Na extatische beschouwing van een stadse aalscholver verplaats ik me zeven passen en zie aan de rand van de kade twee waterhoentjes scharrelen. Mijn lievelingsvogeltjes, wegens hun zachtmoedigheid.

Gooi maar eens brood in het water. De ganzen en de zwanen pakken het eerst en het beste; gewoonterecht, op volume-gronden. De eenden zetten rustig door, de dames laten de mannetjes voorgaan. De schreeuwende meeuwen, of ze nou Emma heten of niet, pakken het hunne onder gepik, gekrijs en duikvluchten in de lucht. Zelfs de meerkoeten, medogenloze graaiers als het even kan, moeten hun plaats weten in de hiërarchie. Maar helemaal onderaan in de competitie: de waterhoentjes.

Nou hebben ze ook iets burgertruttigs. Ze hebben hun vuurrode lipstick op de verkeerde plaats op hun kop gesmeerd. Het staat ze beeldig, daar niet van, en ik weet dat de meerkoeten ze dat benijden, vandaar dat ze als jonkie ook met rood op het voorfront beginnen alvorens zich bij het simplistische witte vlekkie-van-niks van de volwassen leeftijd aan te passen. De burgertruttigheid van het waterhoentje zit 'm vooral in de overtollige bewegingen, het domme wippen van de staart, het wiebelig dribbelen, en vooral de driftig-onbenullige hoofdbeweging van achteren naar voren en vice-versa, alsof ze willen suggeren dat ze het druk hebben met gewichtig boodschappendoen. Wat ze zonder het te weten tot uitdrukking brengen is hun existentiële schlemieligheid. Ze weten van wijken, gaan altijd opzij voor de haantjes-de-voorsten en wachten hun beurt af tot er wat voor ze overblijft. Ze vormen aandoenlijke paren, waarbij ik niet onderscheiden kan wie de baas is. Hun hele gescharrel aan de zijlijn zendt maar één boodschap uit: let maar niet op ons, wij brengen de slechtigheid niet in de wereld.