Skip to Content

Wielewaal

Wielewaal

De hinkstapsprongen van de menselijke geest, wanneer die ingezet wordt om tot herinneringen te geraken, zijn verbazingwekkend, dat is wel het minste wat je er van zeggen kunt. Hoe kom ik bij de wielewaal terecht?

Elke nacht droom ik. Heftig soms. Banaal ook. Soms schrijf ik er een op. Dat kan alleen, uiteraard, wanneer hij nalaat mij olijk in de steek te laten onmiddellijk na het ontwaken. Vanmorgen werd ik wakker met een herinnering.

Mijn droom had me naar een vakantieplek gebacht. Ik zat in een buitenlands hotel. Op een terras met uitzicht op een vallei. Sympathieke mensen rondom. Een van hen, een mooi meisje, speelde op de piano een wijsje. Ze keek me guitig aanmet een blik van dit herken je vast wel. Zeker wel, maar benoemen kon ik het niet. Kleine obsessie na het wakker worden. Wat was dat toch ook weer voor een liedje? Ik moet het met mijn kinderen hebben gezongen toen ze nog heel piep waren.

Google brengt dan uitkomst. Daar vond ik de gehele tekst.

Schuitje varen, theetje drinken.
Varen we naar de Overtoom.
Drinken we zoete melk met room.
Zoete melk met brokken.
Kindje mag niet jokken.

Hé. Daar valt mijn oog ook nog op deze tekst:

Moriaantje, zwart als roet,
Ging uit wandelen zonder hoed.
En de zon scheen op zijn bolletje.
Daarom droeg hij een parasolletje.

Dat bracht mij de bijeenkomst in herinnering die plaats vond bij de presentatie van een bijzonder prestigieuze uitgave van de Nymfaeum Pers: een zeer fraai vormgegeven cassette met drie delen poëzie van Jan Elburg. Twee delen met tekst, één deel met CDs waarop Elburg te horen is, zijn poëzie lezend. Het evenement vond plaats in de galerie van RAM vormgever Jan van Waarden, in Asperen. Waarom daar? Omdat Jan Elburg ook beeldend kunstenaar was en er werken van hem te zien waren. Ik hield daar een prevelementje bij.

Een van Elburgs schilderijen droeg de titel 'Moriaantje'. Aanleiding voor mij om de aanwezigen te vragen: 'Wie kent het liedje?' Velen, bleek. Dus we zongen. Ik beleef er plezier aan om aanzet te geven tot samenzang. Samen zingen is saamhorigheid ademen.

Die herinnering bracht me op een andere.

Toen we in de Amsterdamse Hortus aanzaten aan het promotiediner van de geleerde J.P.M.Groot, werd er een beroep op me gedaan ook een woordje te spreken. Ik vond dat de aanwezigen al voldoende deskundige lofprijzingen hadden gehoord, zodat ik een gezongen canon voorstelde. Men aanvaardde het idee en de neerlandica Monique Pietermaat was zelfs bereid mij terzijde te staan bij het voorgaan van de beide spontaan gevormde koren, toen we beurtelings inzetten: Kom mee naar buiten allemaal. Dan zoeken wij de wielewaal. Dideljo klinkt zijn lied. Dideljo klinkt zijn lied. Dideljo en anders niet.

Daaraan denkend schoot me plots te binnen dat mijn vader tijdens familiefeesten, meestal ter gelegenheid van een verjaardag, ook zo graag de mensen aan het zingen kreeg. Kan zoiets in de genen zitten? vroeg ik me af. Een gedachterimpel begon zich al in mijn voorhoofd te groeven, maar alvorens tot degelijke denkactiviteit te kunnen komen maakte de geest alweer een sprong en bracht me terug naar de wielewaal die ik vele vele jaren her hoorde op de Ekkelse Kluit, die zich bevindt in het Gelderse Laren.

Het dideljo van toen heb ik nadien niet meer gehoord. Zodat ik me nu afvraag: hoe zou het zijn met de wielewaal in ons goede vaderland?

Dit heb ik ik bij mijzelve overdacht, luttele tijd na het ontwaken uit mijn droom.