Skip to Content

Wolkers - In memoriam

Wolkers - In memoriam

In 2007 stierf Jan Wolkers, kort voor zijn 82e verjaardag. Wie het vernam heeft mogelijk gedacht aan de woorden die zijn vrouw niet lang voordien in een tv-interview uitsprak: 'Jan gaat niet dood'. Zo is het ook. Wolkers leeft voort. Voor hem is er tot nader order een toekomstig leven, in de zin die de filosoof Charles Sanders Peirce aan dat begrip heeft gegeven. Een karaktervol mens laat een levende invloed na. Dat is de persoonlijke voortzetting van zijn leven.

Wolkers behoorde, met Hermans, Reve en Mulisch tot de generatie van romanschrijvers die in Nederland na de Tweede Wereldoorlog zich een belangrijke plaats wisten te verwerven op het toneel van de Nederlandse proza-literatuur. Van hen heeft Wolkers als geen ander de toon weten te treffen die het hem mogelijk maakte om gehoor te vinden bij een breed publiek.

Ik bewaar een scherpe herinnering aan het moment waarop ik leerde dat te beseffen. We waren eind jaren zestig. Wolkers' eerste grote succesroman 'Turks Fruit' was verschenen. Ik betrad het secretariaat van het academische instituut waar ik in die dagen mijn brood verdiende. De immer goedgebekte secretaresse begroette mij met de vrijmoedige vraag: 'Heb jij wel eens tussen de rits gezeten, Aart?' Er werd door aanwezigen rondom wat afgelachen. Iedereen kon in die dagen de verwijzing begrijpen. Heel letterminnend Nederland had gemonkeld bij de beginscène in 'Turks Fruit'. De jeugdige hoofdpersoon, ik-figuur in de roman, neemt in zijn auto onderweg een liftster mee. Zijn opkomende amoureuze drift brengt hem ertoe zijn geheven lid uit zijn broek tevoorschijn te halen; het blijft pijnlijkerwijze vastgehaakt tussen de ritssluiting.

Wolkers is van de naoorlogse romanciers degene die met het volste recht als volksschrijver kan worden bestempeld. Zonder dat hij zich zelf die kwalificatie toegekend heeft. Erudiet is hij, zoals te lezen valt in de essays die hij, behalve zijn romans, ook geschreven heeft. Maar dat heeft niet weggenomen dat hij èn qua onderwerpen èn qua toon en stijl, trouw is gebleven, zijn leven lang, aan de sociaal triomferende middenklasse, waaruit hij is voortgekomen.

Wat zijn thematieken betreft zullen niet al zijn lezers even geestdriftig over al zijn keuzen zijn. Zijn ‘Terug naar Oegstgeest’ is een soort therapeutische afrekening met het gereformeerd gedomineerde milieu van zijn jongste jaren. Een literaire succesformule in Nederland. Behalve Wolkers hebben ook auteurs als Maarten ‘t Hart en Jan Siebelink voer aangedragen voor hen die zich konden herkennen in personages die zich wensten te bevrijden van kerkse beteugeling. Anderen, zoals schrijver dezes, zijn in die roerselen minder geïnteresseerd, hetgeen ook geldt voor de soms wat al te nadrukkelijke thematiek van taboedoorbreking op het gebied van taalgebruik of sociaal gedrag.

Daar staat tegenover dat antikoloniaal engagement, bijvoorbeeld in de in Indonesië gesitueerde roman ‘De walgvogel’, mij weldadig aandoet. Dat geldt trouwens evenzeer voor de liefderijke evocatie van de Indonesische realiteit in ‘De kus’. Ik vermeld dit om een indicatie te geven voor het feit dat er bij Wolkers voor vrijwel iedereen iets van waarde te vinden is. Dat is een grote verdienste van zijn oeuvre.

In de tachtiger jaren had ik Wolkers uitgenodigd om over zijn werk te komen spreken voor de de Zomercursus voor Nederlandse Taal en Cultuur. Dat is een jaarlijkse gelegenheid voor buitenlandse neerlandici om een drie weken durend contact te hebben met het land van hun belangstelling. ‘s Middags sprak hij voor de cursisten, dat jaar bijeen op Nijenrode. ‘s Avonds, na de maaltijd, nam Wolkers actief deel aan gesprekken met studenten en docenten. De informele sfeer leidde er toe dat Wolkers en zijn gesprekspartners laat te bedde gingen.

De volgende morgen hadden velen moeite om op tijd aan te schuiven voor het gemeenschappelijk ontbijt. Het viel niet mee om de nieuwe dag te beginnen. Hun nauwelijks geopende ogen zagen een montere Jan Wolkers naderen met in zijn uitgestrekte handen vergaarde schatten. Een stuk begroeiing, een eierschaal, wat insecten. Hij toonde het aan ieder die maar kijken en luisteren wilde. Hij was bij het krieken van de dag opgestaan en had zijn bijzondere vondsten gedaan aan de oever van een nabije vijver. Hij gaf ongevraagd uitleg. En we realiseerden ons: daar is een man die ongebreideld huid aan huid verkeren wil met alles wat de wereld aan werkelijkheid te bieden heeft. Wolkers, homo universalis.

Heel specifiek voor Wolkers was dat je aan bepaalde details in zijn communicatie-instrumentarium merken kon dat hij uitging van de vooronderstelling dat iedereen ongeveer was zoals hij zelf. Zo’n detail was zijn gewoonte om zijn uitgesproken verklaringen en stellingnames te laten volgen door een ‘hè?’. Het was een pragmatisch taalmiddel om de aangesprokene binnen te halen in een bolwerk van vanzelfsprekendheid. Dat samenzweerderige ‘hè?’ betekende niet anders dan ‘Daar zijn we het toch over eens, nietwaar?’

Het is deze instelling van Wolkers, dit uitgaan van een verstandhouding met zijn aangesprokenen, die aan de basis ligt van zijn succes. Natuurlijk is dat niet voldoende om in de voorste gelederen van de letterkunde zijn plaats te verwerven. Daarvoor moet je schrijven als geen ander. Dat heeft hij gedaan. Hij kon het.

Zijn klasse als literator schuilt, afgezien van zijn verrassend realisme, afgezien ook van de geschakeerdheid van zijn syntaxis en woordenschat, bovenal in zijn beeldend taal-vermogen. Hij is gestart als beeldend kunstenaar en is dat zijn leven lang gebleven. Zijn bekendste bijdrage als zodanig is het Auschwitz-monument in Amsterdam. Het zij gezegd: het is een geluk dat hij is gaan schrijven – daar lag zijn rijkste talent. Als maker van beeldende taalkunst is hij een van de allerbesten onder de Nederlandstalige auteurs.

Ik heb daar ooit een lange reeks van voorbeelden gegeven in Bzzlletin 119, van oktober 1984. Die ga ik hier niet herhalen, op twee na. Het eerste komt uit ‘Het tillenbeest’. Haar armen zitten tot haar ellebogen onder het schuim van een overdadig sop. Eenvoudiger kan een beschrijving niet zijn. Wie zou niet de slovende vrouw herkennen die in de naoorlogse dagen nog in het huishouden van eenvoudige mensen te vinden was?

Het tweede voorbeeld staat in ‘De walgvogel’. Rammelend met opgekochte juwelen en afgetroggelde gouden tanden en kiezen, trok hij langs de landwegen, de grote zakken van zijn visgraatjas uitbollend van de gedroogde zoete appeltjes die hij altijd liep te kauwen en die hij wegspoelde met liters karnemelk die hij de plattelandsbevolking op zijn boerengoldrush afhandig wist te maken. Een tsunami van bijzinnen, deelwoorden, assonanties, adjectieven, samengestelde woorden, concrete preciseringen, visuele impressies. Hier hebben we het tegendeel van het significante pars pro toto; dit is de overdaad, de barok, de hyperbool die voortvloeit uit een bijna biologische taal-wellust.

‘Een kathedraal van levenswil’, zo heeft Achterberg geschreven over Marsman. Hij zou, als hij er aan toe was gekomen om over Wolkers te schrijven, naar een ander woord voor ‘kathedraal’ hebben moeten zoeken. Een markant punt op het eiland Texel, waar Wolkers woonde, stierf en waar zijn as is verstrooid, zou tot een variant hebben kunnen leiden. Wolkers, een vuurtoren van levenswil.

Aart van Zoest, januari 2008